Een Belgische Unie als stabiel eindpunt

Op donderdag 17 februari verbraken we het wereldrecord regeringsvorming en ‘versloegen’ we Irak. Uitgerekend op die dag gaf voormalig koninklijk bemiddelaar Johan Vande Lanotte een gastles aan studenten van prof. Devos van de UGent.

Tijdens dat gastcollege aan de Universiteit Gent kwam hij nog even terug op zijn voorbije periode als Koninklijk Bemiddelaar. Hij stelde er dat alle zeven partijen serieus hebben geïnvesteerd en hun best hebben gedaan om een akkoord te bereiken. Inhoudelijk is er een immense vooruitgang geboekt als we vergelijken met 2007, maar men krijgt het nu niet tot een geheel afgerond.

Daarnaast wierp hij een blik op de toekomst.
Zo is het duidelijk dat de partijen rond de tafel moeten opletten voor een te defensieve houding. Dat leidt misschien wel tot beperkte nederlagen, maar zelden tot grootse overwinningen.
De onderhandelingen kunnen vooruit geraken als er een stabiel eindpunt in zicht komt. Een Belgische Unie kan zo’n eindpunt worden.

De Belgische Unie bestaat uit vier deelstaten. Ze respecteert zowel de territorialiteit op niveau van de deelstaten als de solidariteit op niveau van de Unie. In zo’n Unie zijn er duidelijke taakstellingen op de verschillende niveaus, is er een afzonderlijke financiële verantwoordelijkheid en zijn er duidelijke regels over hoe de Unie en de deelstaten zich tot elkaar verhouden.

De kerntaken van de Belgische Unie zijn onder andere defensie, buitenlands beleid en ontwikkelingssamenwerking, migratie en asiel, en de financiering van de sociale zekerheid.

Bij de deelstaten komt het er eerst en vooral op aan de bestaande bevoegdheden zoals onderwijs, welzijn, milieu en cultuur te homogeniseren. Daarnaast komen er nieuwe bevoegdheden bij, zoals het volledige economische en werkgelegenheidsbeleid, justitie en het beheer van uitgaven in de sociale zekerheid, waarvoor de middelen objectief toewijsbaar zijn.

Een ruime samenvatting van zijn gastles vind je hier, en de presentatie zelf hier: Gastcollege_VDL.

De euro verdwijnt niet

Interessant opiniestuk van Hendrik Vos en Ninovieter Ferdi De Ville dat werd gepubliceerd in De Standaard:

Waarom de euro ook in 2011 niet zal verdwijnen (en waarom dat gespeculeer de aandacht afleidt van zaken die er meer toe doen)

A. DE EURO VERDWIJNT NIET In Estland komt vanaf nieuwjaarsnacht de euro uit de bankautomaten. Dat nieuws gaat wat stilletjes voorbij, want het is bon ton om het failliet van de euro te voorspellen. Het voorbije jaar stond de eurozone inderdaad onder druk. Dat is zelfs een understatement. Maar 2010 heeft ons, en de Duitse kanselier Angela Merkel, vooral geleerd dat de landen van de eurozone zodanig aan elkaar geklonterd zijn dat de problemen in één euroland onvermijdelijk ook gevolgen hebben voor alle andere eurolanden. Als Griekenland zijn schulden niet meer kan betalen, dan gaan de banken overkop waar die schulden zijn aangegaan. En dat zijn Franse banken, Nederlandse banken en Belgische banken. En vooral ook Duitse banken. En als Duitse banken in de problemen raken, dan gaat het spaargeld van de Duitsers in rook op. Dat kan Duitsland niet laten gebeuren, dus zal er belastingsgeld naar de banken gaan. Het ineenstorten van een bank veroorzaakt bovendien een domino-effect en heel wat collateral damage. Dat bewees de val van Lehman Brothers, in 2008. Anders gezegd, het faillissement van Griekenland was nooit een optie. Dus werd er in 2010 in zeven haasten een reddingsfonds in elkaar geknutseld. De landen van de eurozone stellen geldmiddelen ter beschikking, en Duitsland het meest van al. In theorie worden de leningen aan Griekenland later proper terugbetaald, maar helemaal zeker is dat niet. Er is in elk geval een risico aan verbonden. Het behoud van de euro heeft een prijs. Het loslaten van de euro heeft echter ook een prijs. En die is oneindig veel groter, zowel economisch als politiek als psychologisch. In het verleden, in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw werden er nog muntunies opgesplitst, maar nooit ging het om zones die al zo sterk geïntegreerd waren als de eurozone vandaag. De Argentijnse peso werd in 2002 losgekoppeld van de dollar, maar dit kan op geen enkele manier vergeleken worden met het opbreken van de eurozone. Er was ginds geen gemeenschappelijke markt, zoals in de eurozone, die de landen verbindt in een nauwelijks nog te ontrafelen weefsel. En ook: de peso bestond er fysisch nog als aparte munt en dat maakt een wereld van verschil. Als straks beslist wordt om Grieken, Ieren en tutti quanti uit de eurozone te zetten, dan begint de ellende pas echt. Het gaat om een operatie die in elk geval praktisch voorbereid moet worden. Er moeten nieuwe munten geslagen worden, computers moeten geherprogrammeerd worden, winkelkarretjes en drankautomaten moeten worden aangepast. Dat vraagt tijd. Zou er ook maar één Ier zijn die in tussentijd zijn euro’s onaangeroerd op de bank laat staan en in stilte wacht tot die vanzelf worden omgezet in een nieuwe, per definitie minderwaardige munt? Het is immers de bedoeling van zo’n operatie om de nieuwe munt te laten devalueren tegenover de euro. Zodra de voorbereidingen starten om Ierland uit de eurozone te laten vertrekken, begint er dus pas echt een stormloop op de Ierse banken. Iedereen die vreest uit de eurozone te worden geknikkerd, zal zijn euro’s parkeren bij veilige buitenlandse banken, bijvoorbeeld in Duitsland. Of ze desnoods in een sok onder de matras verbergen. Maar niemand wacht rustig af. Als we ooit een stormloop op de banken willen meemaken, dan zal het dàn zijn. Geen enkele Griekse of Ierse bank kan dit overleven, en we hebben het hierboven al gehad over vallende dominostenen. Zeker de (naar verhouding immens grote) Ierse bankwereld heeft vertakkingen naar alle lidstaten. De chaos die volgt op een bankrun is niet te overzien. Dat weten de Duitsers ook. En daarom zal het zo’n vaart niet lopen. Het is merkwaardig. Voor de redding van de euro moeten de Duitsers meest betalen. Bij het loslaten van de euro betalen de Duitsers ook de hoogste prijs. Europese integratie is een spelletje met zevenentwintig landen en op het einde verliezen de Duitsers. Of zo lijkt het toch, want uiteraard ligt het ingewikkelder. Duitsland wint natuurlijk ook bij het behoud van de euro. Op die manier blijft het bijvoorbeeld een makkelijke toegang hebben tot grote afzetmarkten in Frankrijk, Italië of Spanje. Zonder de euro zouden de lokale munten er immers lager gewaardeerd staan dan vandaag, en dat zou een ferme handicap zijn voor de Duitse export. En we zullen zo meteen nog wel meer nuances aanvoeren.

Als we ooit een stormloop op de banken willen meemaken, dan zal het dàn zijn.

B. POLITOLOGEN VERSUS ECONOMEN: PROFESSIONELE MENINGSVERSCHILLEN Economen geven aan dat het opbreken van de eurozone de landen in de periferie meer ademruimte zou geven. Ze kunnen hun nieuwe munt devalueren en op die manier hun export aanzwengelen. In combinatie met flinke binnenlandse besparingen krijgen ze meer ademruimte. Een politoloog, die beroepshalve ook naar andere elementen in het debat kijkt, zal echter vaststellen dat de beslissing om de euro op te breken uiteindelijk een politieke beslissing zal zijn, die met quasi-unanimiteit moet genomen worden door de lidstaten. En dat is simpelweg geen optie. Economen zien de politiek wel vaker als een vervelende belemmering van een optimale allocatie. Het zal ook wel zo zijn dat politici al eens beslissingen nemen die vanuit economisch perspectief onverstandig zijn. En vanuit andere perspectieven misschien ook. Maar ultiem nemen ze wel de beslissingen en de kracht van politieke wil kan moeilijk overschat worden.

Toen een jaar geleden de Griekse crisis uitbrak, kwamen in de debatten allerlei verstandige mensen aan het woord die nogal eensgezind verklaarden het bijzonder onverstandig zou zijn om een noodfonds op te richten. Juristen voegden eraan toe dat het verdragsrechtelijk verboden was. Maar er was, om allerlei redenen, politieke wil om zo’n fonds op te richten, en dan komt het er. Vandaag worden de verdragen aangepast om het ook juridisch proper te regelen. In het begin van de jaren negentig, toen het politieke engagement was genomen om een eenheidsmunt in te voeren, was er paniek op de beurzen. De Italiaanse lire devalueerde en overal verschenen economen die verklaarden dat de praktijk bewees dat de invoering van de ene munt niet alleen onverstandig zou zijn, maar ook erg onrealistisch, want dat we niet beschikten over een ‘optimale muntzone’. Economen hebben waarschijnlijk veel kwaliteiten, maar hun voorspellende gaven blijken beperkt zodra er politiek bij komt kijken. De euro zou er immers komen, en ook de zuiderse landen mochten meedoen. Omdat hier een politieke consensus over heerste en omdat het pad al was gekozen. Terugkomen op eerder gemaakte afspraken is moeilijker en duurder dan verder te lopen, zelfs al is het pad waarop men loopt warriger dan men het zich destijds had ingebeeld. Dus wordt er gaandeweg nog gesleuteld aan de afspraken, maar op het oorspronkelijke engagement wordt nooit teruggekomen.

De criteria die we in Maastricht naar voor hadden geschoven en waaraan landen moesten voldoen om de euro te mogen invoeren, werden erg soepel geïnterpreteerd. Iedereen wist ook dat er links en rechts wat statistieken werden bijgekleurd. En geen politicus maalde erom. Terecht of ten onrechte, dat is intussen niet relevant meer. Maar wie vandaag zegt dat hij zich belazerd voelt door Grieken of Italianen heeft een heel kort geheugen. Natuurlijk werd een en ander creatief geïnterpreteerd, en iedereen wist het. Het heeft te maken met een ander kenmerk van Europese integratie. Er worden alleen maar stappen vooruit gezet. Of stapjes. Maar altijd vooruit. De dominante trend is er een van steeds nauwere samenwerking. Europese integratie is eenrichtingsverkeer en de Unie krabbelt nooit terug. In de jaren vijftig was er het wilde idee om een Europese Economische Gemeenschap, een EEG, uit te bouwen. Eerst kwam er een vrijhandelszone en de slagbomen aan de grenzen verdwenen. Daarna was er de douaneunie, met een eengemaakt handelsbeleid. Nog later kwam de interne markt, met min of meer vrij verkeer voor goederen, personen en diensten, waarbij verdoken barrières werden aangepakt. En passant regelden we ook andere grensoverschrijdende problemen met Europese wetten. De ene kwestie kleeft aan het andere en steeds meer domeinen komen op die wijze in het web van de integratie terecht. Sinds eind jaren zestig al worden de mogelijkheden verkend om één munt in te voeren, onder meer om te vermijden dat landen via strategische devaluaties elkaar nog de duvel aandoen. Wat we vandaag de Chinezen verwijten, namelijk dat ze hun munt kunstmatig laag houden om de export te bevorderen, was niet zo lang geleden ook tussen Europese landen onderling te horen. En intussen hebben we dus de eenheidsmunt, in zeventien landen. Sommige landen, zoals Groot-Brittannië, blijven er (voorlopig?) uit, maar dat betekent niet dat de landen die de euro hebben ingevoerd hem ook weer kunnen afschaffen. Eens de munt verweven is geraakt in het patroon van de gemeenschappelijkheid, kan hij er niet meer worden uitgehaald zonder de hele interne markt te ontrafelen. De crisis van de euro is dan ook meteen een crisis van de Europese integratie in zijn geheel. Dat zei Angela Merkel en het werd herhaald door Herman Van Rompuy. Die laatste ontkende de volgende dag wel dat hij het zo bedoeld had, maar de ontkenning was niet nodig: hij had gelijk. Economen hebben waarschijnlijk veel kwaliteiten, maar hun voorspellende gaven blijken beperkt zodra er politiek bij komt kijken

Maar er zit een interne dynamiek in het integratieproces, die – zo bewijst de geschiedenis – tijdelijk kan afgeremd worden, of in zekere zin ook gekanaliseerd kan worden, maar die blijft beuken en zijn weg vooruit zoekt. Die interne dynamiek is er dus een in de richting van een sterker Europa. De politieke grondstroom in Europa loopt in de richting van méér Europa, en in de Europese Unie is de politieke logica tot vandaag sterker dan de economische of juridische logica.

C. DE VERENIGDE STATEN VAN EUROPA Het verdwijnen van de euro leidt dus tot chaos en is vanuit politiek perspectief geen optie. Maar dat betekent niet dat er in 2011 geen problemen meer zullen zijn. Landen in de eurozone zullen in 2011 voor minstens 560 miljard euro moeten ophalen op de kapitaalmarkten. Het worden spannende tijden voor Portugal, Spanje, Italië, maar ook voor Frankrijk en misschien voor België. Markten kunnen zenuwachtig zijn en zeker cynisch, maar ze zijn niet irrationeel. Grote beleggers komen in actie waar ze winst ruiken, en ze weten over het algemeen goed waar ze mee bezig zijn. Bijvoorbeeld de rente bij de zwakste schakels opdrijven, omdat ze weten dat andere overheden, weliswaar na verloop van tijd, toch zullen bijspringen. Intussen hebben ze zich verzekerd van mooie winsten. Precies omdat de beslissingen om dit te counteren door politici moeten worden genomen, duurt het allemaal wel even. En hoe langer het duurt, hoe hoger de prijs wordt. Letterlijk, want het is best mogelijk dat het reddingsfonds door alle getalm nog een heel stuk moet worden uitgebreid. Maar de nationale regeringen betalen ook een politieke prijs: soevereiniteitsverlies. Er wordt wel eens geopperd dat we voor de keuze staan: het uiteenvallen van de euro, of het invoeren van de Verenigde Staten van Europa. Dat laatste klinkt bizar en extreem voluntaristisch, maar dat is het pad dat we toch al enige tijd bewandelen. Eigenlijk is die Europese federatie al goeddeels een feit. Onhoorbaar en onzichtbaar heeft de macht van de Europese Unie zich de voorbije decennia spectaculair uitgebreid. Op talrijke vlakken heeft Brussel vandaag al meer macht over de lidstaten dan Washington over de Amerikaanse staten. De speelruimte van Amerikaanse staten is vaak groter dan de ruimte waarover de Europese lidstaten beschikken om hun eigen beleid vorm te geven. En dat proces gaat verder. Er werd al een reddingsfonds opgericht en er wordt gediscussieerd over de modaliteiten om ook banken en beleggers mee te laten betalen. Al vanaf 2011 zullen landen hun nationale begroting door Europa moeten laten beoordelen. Wie niet in de Europese pas loopt, wordt gesanctioneerd. Er worden plannen in de steigers gezet om een vorm van euro-obligaties in te voeren, die ons zullen veilig stellen voor de volgende golf van speculanten. Zelfs een Europese fiscaliteit, het laatste bolwerk van de nationale soevereiniteit, is geen taboe meer, nadat Frankrijk en Duitsland aankondigden dat ze binnenkort gezamenlijke voorstellen zullen doen om de onderlinge onevenwichten weg te werken. Achter de schermen wordt er getimmerd aan de oprichting van een Groei- en Investeringsfonds binnen de eurozone, wat zal leiden tot meer automatische solidariteit. Stappen die tot voor kort ondenkbaar waren, worden nu volop voorbereid. Zo is het altijd gegaan in het integratieproces: op een bepaald moment zijn de geesten rijp voor een stap vooruit, bijvoorbeeld een eenheidsmunt. Europa wint aan macht. Achteraf blijkt dat om de zaak goed te laten werken, ook andere kwesties beter Europees geregeld worden. Daar hebben academici voordien al wel voor gewaarschuwd, maar een politiek draagvlak komt er pas als er geen alternatief meer is. Begin jaren negentig was er wel een draagvlak voor een eenheidsmunt, maar niet voor een verdere economische integratie. Landen mochten nog zelf hun loonpolitiek, belastingen en begroting regelen. De crisis maakt duidelijk wat al langer voorspeld was, namelijk dat de monetaire unie pas kan werken als ook de economische politiek meer gezamenlijk wordt gevoerd. Dus worden daartoe nu de beslissingen genomen. Niet uit enthousiasme, maar omdat het van moeten is. En de Verenigde Staten van Europa ontwikkelt zich wat verder. Het gaat niet om een plotse kwantumsprong, maar om het verder zetten van een logica die al langer dominant is.

D. ALLEMAAL DUITSLAND? Weinig zaken gaan voor eeuwig mee, maar de vervaldatum van de euro is nog niet bereikt. We bewegen verder in de richting van een Verenigde Staten van Europa, maar eigenlijk is er daarmee niet veel nieuws onder de zon. De discussies over het Onhoorbaar en onzichtbaar heeft de macht van de Europese Unie zich de voorbije decennia spectaculair uitgebreid. Op talrijke vlakken heeft Brussel vandaag al meer macht over de lidstaten dan Washington over de Amerikaanse staten.

Het staan of vallen van de euro leiden de aandacht af van een veel pertinenter debat. Welke richting stuurt dat sterke Europa ons uit? In elk geval niet die van Griekenland. Als er vandaag in een quiz gevraagd wordt om Griekenland in vijf trefwoorden te omschrijven, dan is het eerste zeker ‘spilziek’. Daarna komen ‘corrupt’, ‘lui’ en ‘nonchalant’. Het vijfde trefwoord is ‘moussaka’. Het mag per slot van rekening niet te gemakkelijk zijn. Maar klopt het wel, dat de Grieken potverteerders zijn? Uit de statistieken van de Europese Commissie blijkt dat alvast niet. De Griekse overheidsuitgaven, gerelateerd tot het BBP, zitten ongeveer op het Europees gemiddelde. Ze zijn vergelijkbaar met de Duitse uitgaven, en alleszins lager dan de Belgische. Als Griekenland spilziek is, dan is België spilziek in het kwadraat. Wat typisch is voor Griekenland, zo blijkt uit diezelfde statistieken, zijn niet de hoge uitgaven, maar wel de lage belastinginkomsten, gerelateerd tot het BBP. Vermoedelijk gaat het om een combinatie van belastingontduiking en lage tarieven. Wat belastinginkomsten betreft, bengelt Griekenland onderaan in de Europese statistieken, in het gezelschap van Portugal, Spanje en Ierland. Wat de probleemlanden bindt, zijn dus niet hun zogezegd overdreven overheidsuitgaven, maar wel hun beperkte inkomsten en lage belastingtarieven. Daar hebben we de voorbije maanden weinig waarnemers over horen klagen. De meeste waarnemers zeggen vandaag dat we een voorbeeld moeten nemen aan Duitsland.

Vaak gaat het trouwens om dezelfde stemmen die een paar jaar geleden nog het lof zongen over de Keltische tijger. Een gezond wantrouwen is dus gerechtvaardigd. We moeten meer gedisciplineerd worden, klinkt het nu. Typisch voor Duitsland is de loonmatiging. De lage Duitse lonen zijn mogelijk geworden door de Duitse hereniging, waarmee een heel arsenaal aan goedkope arbeidskrachten beschikbaar kwam, in een regio waar de vakbonden zwak stonden. Het gevolg van de lage lonen is dat de binnenlandse vraag vrij beperkt is. Maar er wordt wel goedkoop geproduceerd en dat biedt mogelijkheden voor de export. Precies daarom ging het verhaal van de spilzieke Grieken er in Duitsland zo vlot in. De Duitsers hadden per slot van rekening aan loonmatiging gedaan. Hun boosheid was dus te begrijpen. Zeker bij degenen die de voorbije jaren een reis naar Griekenland boekten uit een brochure, en uiteindelijk 200 kilometer van de luchthaven gestationeerd werden, in een hotel naast de snelweg, met zicht op de vuilnisbelt en met het toilet op de gang. Uiteraard lopen de zaken het eerst fout in dat soort landen. Dat Merkel uiteindelijk, diametraal tegen haar kiezers in, heeft ingestemd met het reddingsfonds bewijst nogmaals hoe sterk de krachten zijn die het behoud van de euro ondersteunen. De keerzijde van het Duitse model is dat de armoede er verontrustend groot is, ook onder de werkende bevolking. Het is vanuit die optiek zorgelijk dat Duitsland nu plots de hemel wordt ingeprezen. Duitsland kan zijn exportmodel overigens maar volhouden omdat er landen zijn die het Duitse model niet kopiëren.

Als iedereen zoals Duitsland zou worden, en de lonen laag houdt, dan is de vraag te beperkt. Duitse banken leenden geld aan Griekenland om de Grieken toe te laten Duitse producten te kopen, waarmee de Duitse economie bleef draaien. Deze stelling klopt niet helemaal, want Griekenland is niet de belangrijkste handelspartner van de Duitsers. Maar wie we wel in de top vinden, zijn landen als Frankrijk, Italië en Spanje. Als zij de loonkranen dichtdraaien, wat nu steeds luider gepropageerd wordt, dan komt de Duitse economie in de problemen. Is het antwoord dan nog meer loonmatiging? Hoeveel masochisme verdraagt een Duitser eigenlijk? Toch blijft het de mantra van het moment. Landen moeten besparen, de lonen moeten omlaag, de overheidsuitgaven moeten worden ingeperkt. De binnenlandse vraag zal daarmee dalen, en sociaal beleid wordt een luxe voor wie het zich nog kan permitteren. De betogingen in Griekenland en Ierland zijn een voorbode van wat Europa nog te wachten staat. De legitimiteit van de Europese integratie komt daarmee op de helling. Speculanten kunnen dreigen met het uiteenvallen van de euro, maar het echte gevaar voor het Europese project schuilt elders. Het zit bij de publieke opinie, die zich afvraagt welke richting dit allemaal uitgaat. Want hoe levensvatbaar is een politiek project dat niet meer gedragen wordt door zijn bevolking?

HENDRIK VOS FERDI DE VILLE

Bankentaks kost spaarder 75 miljoen euro extra

De bankentaks die de regering-Leterme invoerde, levert zo’n 75 miljoen euro meer op dan voorzien. De massale vlucht naar veilige spaarproducten door de Belg, doet de bankentaks namelijk meer geld in het laatje brengen. Of we hier zo blij om moeten zijn is een andere vraag. De banken rekenen de taks immers gewoon door zodat het eigenlijk de spaarders zijn die de belasting betalen. Bovendien ontspringen de risicovolle bankactiviteiten van de grootbanken de dans, terwijl de kleinere klassieke spaarbanken- die geen aandeel hadden in het ontstaan van de financiële crisis- verhoudingsgewijs harder getroffen worden. Het sp.a-voorstel van Dirk Van Der Maelen om dit recht te zetten werd vorige week jammer genoeg weggestemd in de Kamer door CD&V, Open VLD en N-VA.In de nasleep van de bankencrisis voerde de federale regering nogal triomfantelijk als één van de eersten in Europa een bankentaks in. De idee van een bankentaks is op zich lovenswaardig en kan over de landsgrenzen op bijval rekenen. Naast een bijdrage aan de noodlijdende schatkist, die diep in het rood moest gaan om de banken overeind te houden, kan het indien goed opgezet ook het veilige bankieren bevorderen en risicovolle bankbeleggingen ontmoedigen.

Maar het kan nooit kwaad om de vondsten van Reynders te controleren, zeker als hij zaken met de glimlach aankondigt. Als je dat doet, blijkt dat hij de Belgen weer eens liggen heeft.

Toen hij een jaar geleden daarover door sp.a-parlementslid John Crombez werd ondervraagd in het parlement, gaf hij toe dat de bankentaks geen taks was op de banken, maar op de gewone spaarder. De spaarboekskes. Een paar weken later werden de bankbonzen ondervraagd daarover in het parlement, en ook zij gaven volmondig toe dat de volledige bankentaks op de kap van de spaarder zou worden verhaald.

Reynders beloofde de zaak aan te passen. Hij vond dat de bankentaks inderdaad niet zo goed op poten was gezet door de regering-Leterme. Reynders zei dat hij het wou aanpassen, maar deed het niet. Na de val van de regering, duwde hij wel nog een afschuwelijke wet op het banktoezicht er door. Een wet die de burgers zegt dat ze in de toekomst geen fluit beter beschermd zullen zijn dan in het verleden. Amendementen van John Crombez op die wet om de bankentaks aan te passen en de spaarder te ontzien, werden door de regering Leterme weggestemd. Het blanco banktoezicht moest en kon wel passeren.

Maar Reynders heeft het goed gezien. Eindelijk een maatregel die steeds meer opbrengt, maakt niet uit dat ze aan de spaarder kost. Cynisch genoeg zegt hij bereid te zijn om de taks in de toekomst te berekenen op basis van het risicoprofiel van de banken. Dat houdt in dat het mogelijk kan worden dat de bank zelf de taks betaalt, en niet de spaarder, en dat de kleine banken die niet mee het grote risico veroorzaken niet de dupe worden. En nog cynischer is dát precies het wetsvoorstel van Dirk Van Der Maelen dat de regering Leterme wegstemde, waardoor de spaarders steeds meer taksen betalen op hun spaargeld in de plaats van de banken.

Solidariteit, responsabilisering en fiscale autonomie in de financieringswet

Fiscale autonomie en financiële verantwoordelijkheid zijn belangrijke thema’s in de discussie over de staatshervorming. Tijdens de regeringsonderhandelingen hebben we daarom al in de zomer precieze voorstellen gedaan m.b.t. deze thema’s. De uitdrukkingen fiscale autonomie en responsabilisering geven in het debat echter ook aanleiding tot veel verwarring. In deze nota proberen Frank Vandenbroucke en ik daarom te verduidelijken waarover het gaat.

Klik hier voor de nota: Over autonomie en responsabiliteit

Frank Vandenbroucke in debat met N-VA’er Danny Pieters in Phara

Frank toont in dit verkiezingsdebat de gaten in het NVA programma aan:

Het sp.a pensioenplan uitgelegd

De toekomst van onze pensioenen staat centraal in deze verkiezingscampagne. Aangezien we allemaal langer en gezonder leven en we minder kindjes maken, dringt een hervorming van ons pensioenstelsel zich op. sp.a heeft hier een goed uitgebouwd plan voor dat bestaat uit twee delen.

Eerst en vooral wil sp.a de laagste pensioenen verhogen tot boven de armoedegrens. Drie vierde van alle armen zijn immers gepensioneerden. Dat is een rijke samenleving als de onze onwaardig.

Bovendien wil sp.a het wettelijk pensioen versterken door er een tweede component aan toe te voegen. Wat men nu de tweede pijler noemt (het bedrijfspensioen/’de groepsverzekering’) wordt uitgebreid naar alle werknemers daar waar nu slechts ongeveer de helft van de werknemers zulk pensioenplan heeft. Dit zal op middellange termijn een extra pensioen opleveren van 5 tot 10 procent. En voor wie tot 65 werkt kan het pensioen zelfs heel spoedig tot 200 euro per maand verhoogd worden.

En wie gaat dat nu allemaal betalen?

Het optrekken van de laagste pensioenen kost ongeveer 300 miljoen euro die sp.a wil bekostigen door een heronderhandeling met Suez dat slapend rijk wordt door de afgeschreven energiecentrales. Als je weet dat de overheid 21 miljard in de banken pompte om hen te redden, kan er dan geen 300 miljoen af om de pensioenarmoede aan te pakken?

Voor de versterking van het wettelijk pensioen ligt het anders. Deze zal betaald worden door een gezamenlijke inspanning van werkgever en werknemer, zoals dat nu al het geval is in de bedrijven die zulk bedrijfspensioen aan hun personeel aanbieden. Concreet komt het er op neer dat een deel van de groei die we de komende jaren zullen hebben, gereserveerd zal worden voor het pensioen.

Daarnaast zal ook de overheid een inspanning doen voor uw pensioenzekerheid. Het geld hiervoor komt van het eenvoudige feit dat de feitelijke pensioenleeftijd die nu ongeveer 59 jaar is, geleidelijk enkele jaren zal opschuiven zodat er meer bijdragen binnenkomen en minder pensioenen betaald worden. De pensioenmaatregel van sp.a verdient zo zichzelf terug.

Het failliet van Financiën

In volgende intussen beruchte Panoramareportage blijkt heel goed hoe Didier Reynders het ministerie van Financien de voorbije 10 jaar om zeep hielp.
Panorama-reportage: het failliet van Financiën
Let vooral op de Aalsterse VLD-schepen Anne-Marie Verdoodt (vanaf minuut 33:15) die vertelt dat ze graag mensen aan een job helpt en dat ze hoopt dat die dan op haar zullen stemmen. Ongeveer 40 % van de aangeworven contractuelen komen uit Aalst, Ninove of Geraardsbergen. Knap werk, Anne-Marie!
En toch wel een pluim op de hoed van Dirk Van Der Maelen voor zijn jarenlange strijd tegen deze misbruiken!

Samen vooruit!

125 jaar socialistische partij. Deze roos druk onze hoop uit dat het de komende jaren nog beter gaat. Laten we onze krachten bundelen, zo zetten we de samenleving in beweging!